Doelgroepexpertisecentra in langdurige zorg om kwaliteit te borgen

Ze hebben een zeer complexe zorgvraag, over meerdere domeinen heen, zijn over het algemeen lang aangewezen op Wlz-zorg, maar vormen met elkaar een relatief kleine doelgroep: verschillende groepen cliënten binnen de Wlz voldoen aan deze beschrijving. KPMG deed er onderzoek naar en zette de knelpunten in de kwaliteit van zorg op een rij. Op 23 mei overhandigden de onderzoekers het rapport – inclusief een advies over de vervolgstappen – aan Theo van Uum, directeur langdurige zorg bij het ministerie van VWS.

Laag volume hoog complex

‘Laag volume hoog complex’ is de verzamelnaam voor kleine, specifieke groepen cliënten met een complexe zorgvraag. Een gemiddelde zorgorganisatie heeft er misschien 1 of 2 in huis. Ook voor deze cliënten moet de kwaliteit van zorg geborgd zijn. Dan is een goede zorg- en kennisinfrastructuur van belang. In opdracht van het ministerie van VWS deden KPMG en Vilans een onderzoek. Hinke van Gijzel, senior manager bij KPMG, opent de bijeenkomst met het doel van het onderzoek: grip krijgen op wie deze doelgroepen precies zijn en zicht krijgen op de knelpunten in de zorg- en kennisinfrastructuur. ‘Zodat we de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid voor deze groepen beter kunnen borgen.’

4 knelpunten

Op basis van documentanalyse, interviews, vragenlijsten en focusgroepen onderscheidt KPMG 3 groepen. Alle 3 groepen zijn hoog complex, het verschil zit in het volume (laag, dat wil zeggen minder dan 100, of iets hoger) en de duur van het verblijf in de Wlz (relatief lang of juist kortdurend). Elke groep bestaat uit verschillende subgroepen. Denk aan ziekte van Huntington, syndroom van Korsakov, gerontopsychiatrie, jonge mensen met dementie, complexe epilepsie, neuromusculaire aandoeningen. ‘Het zijn heel verschillende cliënten, maar ze ervaren 4 knelpunten in dezelfde intensiteit’, aldus Hinke. Die knelpunten zijn:

  • de ontwikkeling en implementatie van kennis
  • de passendheid van het aanbod (kennisdeling)
  • samenwerking over de domeinen heen
  • passende sturing en stelsel

DEC’s, satellieten en KC

In antwoord op deze knelpunten adviseert KPMG om per doelgroep een landelijk dekkend netwerk te maken, zowel wat zorgaanbod betreft als kennis. Hinke: ‘Dit netwerk bestaat uit verschillende elementen. Op regionaal niveau spelen doelgroepexpertisecentra (DEC’s) een centrale rol. Met daaromheen satellieten: zorgaanbieders die op 1 afdeling zorg aan een bepaalde doelgroep leveren. Het DEC bundelt kennis en kunde. De satellieten borgen de toegankelijkheid van de zorg, ze werken nauw met het DEC samen.’ Daarnaast moet er voor elke doelgroep 1 kenniscentrum (KC) komen. ‘Dat is de kern van ons advies. Dat kenniscentrum hoeft niet letterlijk een gebouw te zijn, een netwerk mag ook. Belangrijk is dat er straks 1 gezicht en 1 vindplaats is voor mensen die behoefte hebben aan kennis over een bepaalde zorgvraag. Het kenniscentrum is ook verantwoordelijk voor het coördineren van onderzoek en voor de aansluiting met onderwijs.’

Kennisontwikkeling faciliteren

‘Hoeveel DEC’s zijn nodig?’, vraagt een van de aanwezigen. ‘Dat verschilt per doelgroep’, antwoordt Hinke. ‘Maar maximaal 10, om versnippering te voorkomen en kennisopbouw te bevorderen.’ ‘Gaat dit nu een nieuwe structuur worden naast al bestaande structuren?’, vraagt een andere aanwezige bezorgd. ‘Het is zeker niet de bedoeling om iets wat goed werkt te doorbreken! Het is wel de bedoeling deze groepen 1 gezicht te geven en kennisontwikkeling beter te faciliteren in sturing en bekostiging. Omdat vraag en tempo van de verschillende doelgroepen anders zijn, gaan we daar nu eerst naar kijken. Daarvoor richten we werkgroepen en een stuurgroep op.’ Ze legt uit dat DEC’s bij uitstek geschikt zijn om volume te bundelen. ‘Meer volume biedt de mogelijkheid om de kwaliteit en continuïteit in teams te borgen. Ook kan een DEC dan fungeren als ontwikkel- en onderzoekplaats. Maar vanuit de cliënt gezien zijn andere criteria misschien juist belangrijk, zoals zorg dichtbij. Daarom zijn ook satellieten nodig.’

Multidomeinproblematiek

Voor de kenniscentra geldt dat ze per doelgroep de ontwikkeling en implementatie van kennis versterken en verbinden. ‘Ze zijn een vindplaats van informatie en een aanspreekpunt’, licht Hinke toe. ‘De grootste uitdaging van de KC’s is de multidomeinproblematiek. Dat vraagt om verbinding tussen de KC’s.’ Een van de aanwezigen raadt aan ook gebruik te maken van de academische netwerken, ‘de kennisontwikkeling daar richt zich vaak op specifieke doelgroepen’. Een goede aanvulling, aldus Hinke. In het rapport doet KPMG een voorzet voor de basiscriteria voor een KC, DEC en satelliet. Dat roept ook vragen op, zoals ‘wie gaat deze criteria vervolgens handhaven?’. Zorgen zijn er ook. ‘Als de criteria maar niet leiden tot meer bureaucratie.’ Hinke beaamt dat dit een aandachtspunt is.

Energie en betrokkenheid

Vervolgens overhandigt Hinke het rapport officieel aan Theo van Uum, directeur langdurige zorg bij het ministerie van VWS. ‘Als ik in het land op werkbezoek ben bij instellingen die als DEC of satelliet zouden kunnen fungeren, voel ik altijd energie en betrokkenheid. Dat vind ik heel mooi. Ook ben ik vaak op bijeenkomsten waar met passie kennis wordt gedeeld. Vandaag, bij de presentatie van dit rapport, komen die 2 werelden bij elkaar. Meteen bij binnenkomst merkte ik al dat het hier bruist. Dat stelt me gerust. Wij willen samen werken aan de vervolgstappen en de knelpunten oplossen. Als vertegenwoordiger van VWS heb ik het rapport nu ontvangen. Na de zomer geven wij een beleidsreactie. Dat doen wij graag in dialoog met jullie, de vertegenwoordigers van de veldpartijen.’

Tussen wal en schip?

De uitnodiging van Theo van Uum is een mooi bruggetje naar het tweede deel van de bijeenkomst. Onder leiding van KPMG-partner David Ikkersheim praten de aanwezigen over het vervolg. David vraagt waar de aanwezigen nu direct mee aan de slag willen. Uiteenlopende acties passeren de revue, van ‘de beleidsreactie opstellen’ tot ‘selectiecriteria maken’ en ‘bekostiging’. En waarom juist bekostiging? ‘Omdat een eenduidige manier van indiceren belangrijk is’ en omdat ‘de inzet voor de expertisegroepen nu nog vaak liefdewerk van gepassioneerde zorgverleners is, terwijl dat eigenlijk gewoon gefinancierd zou moeten worden’. Pratend over de kenniscentra pleiten de aanwezigen er nogmaals voor om voort te bouwen op bestaande structuren. Ook wordt een lans gebroken voor samenwerking: ‘we moeten voorkomen dat deze kleine groepen cliënten tussen wal en schip vallen.’ Op de vraag wie wil deelnemen aan een werkgroep gaan zeker 32 handen de lucht in. Slechts 12 aanwezigen geven ‘misschien’ of ‘nee’ aan. Waarom? ‘Ik zou het graag willen, maar weet gewoon niet wanneer.’ Rest nog een kritische opmerking over de doorlooptijd. KPMG wil over anderhalf jaar resultaten zien. Dat vinden de aanwezigen veel te lang duren. ‘Laten we gewoon beginnen en knopen doorhakken.’

Door: Ingrid Brons

Meer weten